Iedereen verplaatst zich. Het mobiliteitsbeleid gaat ons dus allemaal aan.

in
Nieuws

Secretaris-generaal Filip Boelaert aan het woord

Secretaris-generaal Filip Boelaert. Foto genomen op het dak van het Brusselse Ferrarisgebouw.

Kersvers secretaris-generaal van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken Filip Boelaert is geboren in Brussel (Etterbeek) en behaalde er het diploma van ingenieur-architect aan de Vrije Universiteit (VUB). Die studies vulde hij later nog aan met onder meer gespecialiseerde opleidingen in GIS, ruimtelijke planning en verkeer & vervoer…

"Van jongsaf was ik geboeid door alles wat te maken heeft met verkeer, mobiliteit en stadsplanning. En vooral ook treinen! Ik was als tiener trouwe bezoeker van de Spoordagen, waar heuse loks te bewonderen waren. Als student speelde ik het Mobility-game, min of meer vergelijkbaar met het bekendere Simcity. Het is een spel waarbij je een grote stad bouwt en daarbij vooral oog hebt voor de ontwikkeling van de verkeersstromen. Die fascinatie uit mijn jeugd is gebleven."

"Het heeft trouwens maar een haar gescheeld of ik was voor een Luxemburgse spoorwegmaatschappij gaan werken. Uiteindelijk heb ik gekozen voor de Vlaamse overheid: ik werd mobiliteitsbegeleider bij de toenmalige Administratie Wegen en Verkeer van het Departement Leefmilieu en Infrastructuur (LIN). Dat was in 1998. De mobiliteitsbegeleider ondersteunt de gemeenten bij de opstelling van hun mobiliteitsplan en begeleidt hen in de commissies die over de uitwerking van investeringsplannen voor mobiliteit gaan. Een beetje als brug tussen de gemeenten en de toenmalige dienstkringingenieurs. En de voorloper van de huidige mobiliteitsbegeleiders en het mobiliteitsconvenantsbeleid. Voor de dienstkringingenieurs was dat een heel nieuwe aanpak, zij waren aanvankelijk bang om een deel van hun autonomie te verliezen."

Filip Boelaert: “In feite was die eerste job bijzonder leerrijk voor de rest van mijn parcours. Ik heb zo namelijk het belang geleerd van de brugfunctie die je kunt spelen als je de verschillende partijen rond de tafel brengt en de standpunten verduidelijkt om samen naar een oplossing te zoeken. Ik heb er letterlijk leren overleggen.

Secretaris-generaal Boelaert werd in 2002 celhoofd Verkeer en Mobiliteit bij AWV. Focus: verkeerstellingen, signalisatievergunningen, verkeersstudies. De eerste verkeersmodellen waren net operationeel. Het jaar daarop was hij beleidsingenieur (dwz projectleider voor de beleidsplanning) en ging hij zich bezighouden met de beleidscoördinatie van de provinciale afdelingen en meer in het bijzonder met de zogeheten ‘gevaarlijke punten’, verkeerssituaties in Vlaanderen die bij voorrang om een oplossing vroegen.

"Door een oplossing voor die gevaarlijke punten te zoeken, kwam ik vanzelf in contact met alle betrokkenen, van verkeersslachtoffers tot gemeenten. Opnieuw voelde ik het belang van een goed overleg scherp aan. Het is niet altijd nodig om alles per se zelf in detail te willen bepalen en sturen. Wel moet je ervoor proberen te zorgen dat iedereen met elkaar praat en dat de dingen in gang gezet worden."

Nog een jaar later kwam de kabinetschef van minister Kris Peeters (toen op Mobiliteit en Openbare Werken) hem daar wegplukken. Hij zou drie jaar lang voor Peeters werken, aanvankelijk als raadgever, daarna als adjunct-kabinetschef…

Filip Boelaert: “Ik heb er onder meer de inhaalbeweging voor de renovatie van de weginfrastructuur in goede banen helpen leiden, denk maar aan de begeleidende ‘minder hinder’-maatregelen. En natuurlijk het beleid mee voorbereid."

Gefascineerd door verkeer en mobiliteit

De fascinatie voor alles wat met verkeer te maken heeft, is gebleven, want mobiliteit vindt hij nog altijd ‘per definitie’ een boeiend onderwerp: “Iedereen doet aan mobiliteit. Iedereen verplaatst zich, het mobiliteitsbeleid gaat ons dus allemaal aan.”

Van 2009 tot maart 2014 was hij kabinetschef voor Vlaams minister Crevits. Dat betekent: de beleidsplannen van de minister helpen bewaken, in overleg met de leidende ambtenaren uitvoering proberen te geven aan dat beleid, een kabinet aansturen en leiding geven aan een veertigtal medewerkers. Een verantwoordelijke functie die vraagt om handenvol werklust en een meer dan doordeweekse drive om dingen te realiseren. Elke dag ’s ochtends om zes naar het werk vertrekken en pas tegen tien of elf uur weer thuiskomen. En tegelijk al je menselijke en professionele vaardigheden aanscherpen, en elke dag weer bijleren. Hoe hij die ervaring zou samenvatten?

“Ik heb geleerd evidenties in vraag te stellen. De dingen zoals ze zijn, maar die misschien anders en beter kunnen. Maar ook durven nadenken over je eigen functioneren. En ik denk dat het precies voor een administratie een héél belangrijke kwaliteit is dat je je eigen werking in vraag kunt stellen."

Of er dan nog tijd overblijft voor een privé leven? Discreet maar daarom niet minder zichtbaar in zijn kantoor op de elfde verdieping van het Ferrarisgebouw: een foto van het hele gezin op de kast. De secretaris-generaal, zijn echtgenote, hun vier kinderen.

Filip Boelaert: “Vrije tijd blijft er in de week niet echt over. Maar de weekends probeer ik wel vrij te houden. ‘Proberen’ want ook dan rinkelt de telefoon vaak. Zonder de steun van mijn echtgenote zou het nooit mogelijk geweest zijn. Zij heeft haar eigen carrière, maar is de manager in huis. Ik ben haar daar natuurlijk heel dankbaar voor."

“Ik fiets graag en probeer dat minstens eens per week te doen. Heb een toerisme- én een racefiets. Enkele keren per jaar fiets ik van thuis in Hamme naar het werk, en ’s avonds weer terug.  Met enkele collega’s die in de buurt wonen. Ben overigens nog altijd een fan van mijn geboortestad, Brussel. Prachtige huizen, zo veel te beleven - maar je moet het wel zelf gaan ontdekken. Ik wandel ook heel graag, maar daar ontbreekt de tijd vaak voor. En ik kijk graag naar sport. Wielrennen op tv, voetbal liefst in het stadion. Eigenlijk alle sporten, want sport is emotie, en zó menselijk!"

Filip Boelaert is een enthousiaste fietser.

We vragen hoe de nieuwe secretaris-generaal onze taak ziet…

“De taak die ik voor ons departement zie, is tweeledig. Het Departement Mobiliteit en Openbare Werken moet toonaangevend worden in het mobiliteitsbeleid. Tegelijk wil ik de beleidsvoerders, de agentschappen en de buitenwereld ondersteunen met onze expertise. Een secretaris-generaal moet die ambities proberen te belichamen, maar kan het niet alleen. Ik heb al die mensen nodig die zich al zo lang en zo gedreven inzetten voor mobiliteit en technische expertise. Zij moeten dit verhaal mee helpen schrijven. Het is misschien een cliché, maar je bent maar zo sterk als je zwakste schakel."

"Samen zullen we deze doelstellingen bereiken. Het Departement Mobiliteit en Openbare Werken telt zo veel mensen die begaan zijn met hun werk, collega’s die overlopen van de ideeën, die expertise bij de vleet hebben, ingenieurs, onderzoekers en technici. In waterbouwkunde en maritieme toegankelijkheid, in infrastructuur en verkeersveiligheid, in ict, in mobiliteit,…  Na drie maanden in deze functie, valt het me op hoeveel mensen hun job graag doen en ervoor willen gaan. Ik heb inmiddels de kans gehad om de meeste afdelingen te bezoeken en heb er de deskundigheid en gedrevenheid van onze mensen gevoeld. In dit departement beweegt heel wat!
" 

Overleg, overleg, overleg

“Drie dingen moeten beter: overleg, overleg en overleg. Het departement moet de katalysator zijn om samen met de agentschappen, die we technisch en juridisch ondersteunen, gestalte te geven aan het mobiliteitsbeleid. Ook moeten we alle spelers in het beleidsveld bij elkaar brengen en naar elkaar laten luisteren. Het moet vooruit!"

“De mobiliteit vormt een uitdaging. We moeten de dingen fundamenteel willen veranderen. We hebben de deskundigheid in huis om het mobiliteitsprobleem ten gronde te analyseren. Omdat de mobiliteit ons allen aangaat, vormen we ook zelf het probleem: wij allemaal zijn de file! We moeten ons gedrag dus veranderen. Dat is cruciaal. We willen een gedragsverandering teweegbrengen, zodat wij, mensen, vanzelf kiezen voor duurzame oplossingen. Daarnaast zal het echter nodig blijven om in infrastructuur te investeren. Ik noem dat trouwens liever ‘mobiliteitsinvesteringen’. We hebben meer fietspaden nodig. Moeten investeren in openbaar vervoer. Robuuste netwerken uitbouwen met wegen, binnenvaart, een adequate maritieme toegang. Maar wonderoplossingen bestaan niet. Een eenzijdige benadering is vergeefse moeite. Alleen de combinatie van de juiste maatregelen zet zoden aan de dijk. En natuurlijk: we moeten altijd en overal overleg opzetten. Dat spreekt."

“De mensen kennen het Departement Mobiliteit en Openbare Werken vandaag ook niet goed. Ze weten niet wat we doen, waar we voor staan. We moeten deelnemen aan het maatschappelijke debat. We moeten beter luisteren, meer partijen rond de tafel krijgen. Opvangen wat er leeft bij de bevolking en het middenveld. Goed luisteren zal ons in staat stellen om betere voorstellen te formuleren. We moeten present geven, de mensen actief benaderen, overleggen om zo onze deskundigheid verder op te bouwen en te verfijnen."

“Ik wil onze informatievoorziening ook verbeteren. Op dit ogenblik is er geen centrale plek waar alle mobiliteitsgegevens beschikbaar zijn, terwijl we net over een schat aan informatie beschikken. We moeten verkokering vermijden."

Beter luisteren naar wat er leeft

“We zullen meer in dialoog gaan. Niet alleen met de nieuwe media, maar ook in persoonlijke contacten, op informatiedagen, aan de (ronde)tafel. Alleen zo kunnen we leren om een draagvlak voor onze projecten op te bouwen en te versterken. Bij inspraakprocedures en participatieprocessen doet zich een vreemde paradox voor: ondanks al onze inspanningen, blijkt achteraf vaak dat heel wat stemmen zich niet gehoord weten, dat standpunten onder de radar blijven. Ik stel vast dat we blijkbaar niet alle signalen ontvangen. We moeten nog beter leren luisteren naar wat leeft.

“Ik ben er ook vast van overtuigd dat we Europa actiever moeten benaderen. De Europese Unie gaat nu al over tal van aspecten die tot de kern van de mobiliteit behoren. Wij moeten op dat niveau willen meepraten. En dan heb ik het nog niet over de belangrijke Europese financieringsprogramma’s inzake mobiliteit. Ook die verdienen immers alle aandacht."