Op zoek naar het beste van twee werelden

in
MOW Mag

Collega’s Koen en Tristan bouwen mee aan de nieuwe sluis in Terneuzen (NL). Die zal over enkele jaren grotere schepen toegang verlenen tot de haven van Gent. Hoe is het om als Vlaming in Nederland te werken? Pakken ze projecten over de grens op dezelfde manier aan als bij ons? En valt dat een beetje mee: kroket met karnemelk?

Vlaanderen en Nederland pakken de bouw van de nieuwe sluis in Terneuzen samen aan. Wat is er bijzonder aan die samenwerking tussen buren? “Vlaanderen financiert de sluis voor het grootste deel, maar het voelt eerder aan alsof we meewerken aan een  Nederlands project”, vertelt Koen De Winne, kwaliteitsmanager uitvoering en sinds 2012 voltijds in Terneuzen aan de slag. “Het projectteam bestaat voor 4/5 uit Nederlanders. De procedures, de voorbereiding, de aanpak ... alles gebeurt op de Nederlandse Rijkswaterstaatmanier en wij brengen onze expertise daarbij in.”

Wat is het verschil tussen de Vlaamse en Nederlandse manier van werken?

Koen: “Voor elke stap, hoe klein ook, stellen de Nederlanders eerst een plan van aanpak op. In Vlaanderen zijn we pragmatischer. Is er een probleem, dan zoeken we naar een manier om het snel op te lossen. Nederlanders gaan eerst na of er regels zijn en of er een standaardoplossing voorhanden is. Er heerst hier ook een enorme vergadercultuur.” “Ook de uitvoering verschilt”, vult toezichter Tristan Van de Velde aan. “Neem nu het werftoezicht. Ons vind je meerdere keren per dag op de werf, terwijl Nederlandse waarnemers misschien één keer per week langskomen. Is een aannemer kwaliteitsgecertificeerd, dan vertrouwen ze erop dat het goed loopt.”

 

Waar hebben jullie het meest aan moeten wennen?

Koen: “Nederlanders spreken in afkortingen. In het begin hoorde ik het hier in Keulen donderen. Het leek wel een soort codetaal.” Tristan: “Ook zeggen ze altijd waar het op staat, wat soms bot overkomt. Is de minister op bezoek, dan krijgt die frank en vrij het hele verhaal. Wij zeggen de dingen meer omfloerst.” Koen: “Zeker in de beginfase leidde dat wel eens tot spanningen, maar ondertussen weten we wat we aan elkaar hebben. Lunchen doen we steeds samen. Ondertussen kreeg ik ook al kroket met karnemelk voorgeschoteld. Toegegeven, dat was als Vlaamse Bourgondiër wel even wennen.” (lacht)

 

Wat kunnen Nederlanders en Vlamingen van elkaar leren?

Tristan: “Aan Nederlandse zijde heerst het grote geloof dat als het systeem en het proces goed zijn, het eindproduct ook goed zal zijn. Wij zeggen: vertrouwen is goed, maar controle is beter.” Koen: “Wat wij dan weer minder goed doen, is de opgedane projectkennis en -ervaring met elkaar uitwisselen. Daar zijn Nederlanders straf in.” Tristan: “En minder bescheiden zijn, ook dat kunnen we van hen leren.” Het valt op dat Koen en Tristan nog steeds geen Hollands spreken. Tristan: “Uitdrukkingen nemen we wel over van elkaar. Zo hoor je hier nu al eens: ‘Als we dat doen, dan zijn we gesjost.’ Uit een Nederlandse mond klinkt dat heel  grappig.” Koen: “Maar een goeie Vlaamse mop, dat werkt hier niet. Eerst moet je nadenken over de mop, dan moet je de woorden aanpassen zodat Nederlanders ze begrijpen en dan moet je je afvragen: zit de pointe er nu nog in? Niet dus.”